Wie elke maand geld opzijzet, zou kunnen denken dat huurders en eigenaars ongeveer op dezelfde manier sparen. In werkelijkheid ligt het verschil vooral in waar hun geld uiteindelijk terechtkomt. En wie naar het totale vermogen kijkt, komt bij een opvallende conclusie uit: huiseigenaars bouwen gemiddeld duidelijk meer vermogen op dan huurders.
Dat betekent niet automatisch dat een eigenaar iedere maand meer euro's op zijn spaarrekening zet. Daarvoor zijn er geen recente Belgische cijfers die beide groepen rechtstreeks en op exact dezelfde manier vergelijken. Maar de beschikbare cijfers van onder meer de Nationale Bank en Statbel laten wel duidelijk zien waarom eigenaars op lange termijn financieel in een andere positie zitten.
Huurders hebben vaak hogere woonlasten
Een belangrijk verschil zit bij de maandelijkse woonkosten. In Vlaanderen had in 2023 bijna de helft van de private huurders een woonquote van meer dan 30 procent van het besteedbare inkomen. Bij eigenaars lag dat aandeel op 10 procent. Wanneer ook energie, water en andere woonkosten worden meegerekend, besteedde 44 procent van de private huurders meer dan 40 procent van het inkomen aan wonen. Bij eigenaars met een hypotheek was dat 15 procent.
Dat betekent dat huurders gemiddeld minder financiële ruimte overhouden nadat de woonkosten zijn betaald. En minder ruimte betekent doorgaans ook minder mogelijkheden om maandelijks grote bedragen opzij te zetten.
Statbel stelde eerder bovendien vast dat huurders een veel kleinere financiële buffer hebben. In de SILC-cijfers kon 69,2 procent van de huurders niet langer dan drie maanden dezelfde levensstandaard behouden wanneer het inkomen zou wegvallen.
Maar een eigenaar betaalt ook een hypotheek
Toch is het verhaal niet zo eenvoudig als “huren is duur en kopen is goedkoop”. Een eigenaar met een hypotheek moet immers maandelijks een aanzienlijk bedrag aflossen. Bovendien komen daar kosten bij voor onderhoud, verzekeringen, belastingen en onverwachte herstellingen.
Het grote verschil is echter dat een deel van de hypotheekaflossing uiteindelijk bijdraagt aan het eigen vermogen in de woning. Bij huur gaat de maandelijkse betaling naar de verhuurder en bouwt de huurder daardoor geen eigendom op in de woning.
De Nationale Bank bevestigt dat eigenwoningbezit een belangrijke factor is voor vermogensopbouw in België. Huishoudens die geen eigenaar zijn van hun woning hebben gemiddeld een lager nettovermogen.
Het gaat dus niet alleen om spaargeld
Dat onderscheid is belangrijk wanneer je vraagt wie “meer spaart”. Kijk je uitsluitend naar de hoeveelheid geld op een spaarrekening, dan kunnen we op basis van de beschikbare recente Belgische cijfers niet eerlijk zeggen dat eigenaars altijd meer sparen dan huurders.
Kijk je naar vermogen, dan is het antwoord veel duidelijker. Een woning vertegenwoordigt immers een vermogen dat bij de eigenaar terechtkomt, terwijl huurders dat voordeel niet hebben.
In het eerste kwartaal van 2026 bedroeg het mediane nettovermogen van een Belgisch huishouden 287.000 euro. De gemiddelde Belg zat zelfs aan 610.000 euro, al wordt dat gemiddelde sterk beïnvloed door de rijkste huishoudens.
Ook vandaag blijft vastgoed een enorme component van het Belgische vermogen. Volgens de Nationale Bank bestaat ongeveer de helft van de activa van Belgische gezinnen uit vastgoed.
De conclusie
Wie op lange termijn vermogen wil opbouwen, heeft als eigenaar doorgaans een belangrijk voordeel tegenover een huurder. De eigenaar betaalt niet alleen voor zijn woning, maar bouwt tegelijkertijd een bezit op. Een huurder behoudt daarentegen meer flexibiliteit en vermijdt de grote aankoop- en onderhoudskosten van een woning, maar bouwt via zijn huurbetalingen geen vastgoedvermogen op.
De interessantste conclusie is daarom misschien deze: een huurder kan best meer geld op zijn spaarrekening hebben dan een eigenaar, maar de eigenaar kan tegelijkertijd een veel groter totaalvermogen bezitten.
En precies daarom is de vraag “Wie spaart meer?” eigenlijk minder interessant dan de vraag “Wie bouwt meer vermogen op?” Daar ligt het grote verschil.