Door de klimaatverandering worden België en Nederland natter en neemt het risico op
overstromingen toe. Dat blijkt nog uit een rapport van begin dit jaar. Dit komt door een combinatie van warmere lucht die meer vocht vasthoudt en veranderingen in windpatronen.
De basiswetenschap is simpel: voor elke graad dat de atmosfeer opwarmt, kan de lucht ongeveer 7% meer waterdamp vasthouden. Dat leidt tot twee fenomenen. Enerzijds zien we in de zomer vaker "bommetjes": extreem zware neerslag op een kleine oppervlakte in korte tijd. Dit veroorzaakt vooral lokale wateroverlast (ondergelopen kelders, straten die blank staan).
In de winter regent het dan vaker langdurig over grote gebieden. Omdat de bodem dan al verzadigd is, kan dit water nergens heen, wat leidt tot hogere rivierstanden. Het KMI waarschuwt dat een regenbui die vroeger "eens in de 100 jaar" voorkwam, in regio's zoals de Ardennen tegenwoordig elke 20 jaar kan optreden.
Vooral de vlakkere delen en gebieden rond grote waterlopen (zoals de Schelde en de IJzer) lopen meer risico. De Vlaamse Milieumaatschappij heeft kaarten gepubliceerd die laten zien dat gebouwen die nu al risico lopen, in de toekomst veel vaker met wateroverlast te maken krijgen.
In Nederland is de situatie niet beter. In een zeer recent rapport (januari 2026) concludeert de Onderzoeksraad voor Veiligheid dat Nederland nog niet goed genoeg is voorbereid op extreme regen. Vooral vitale infrastructuur (stroom, zorg) is kwetsbaar. De
overstromingen van 2021 in Zuid-Limburg worden nu gezien als een scenario dat zich in de toekomst vaker kan herhalen, ook in andere delen van het land.
Wetenschappers benadrukken dat we niet altijd overstroomd zullen zijn, maar dat de "extremen" extremer worden. We krijgen dus te maken met een grilliger klimaat: vaker kletsnatte periodes, maar ook periodes met extreme droogte.