Het is een van de meest besproken maatregelen van de federale
regering: de invoering van de zogenaamde ‘centenindex’ in 2026 en 2028. Waar de automatische indexering normaal gezien ieders loon of uitkering volledig beschermt tegen de stijgende levensduurte, verandert dat nu voor de zogenaamde sterkste schouders. Wat zijn de directe gevolgen voor jouw portemonnee?
Wie verliest er geld?
De nieuwe regeling trekt een harde grens tussen lagere en hogere inkomens. Verdien je als werknemer minder dan € 4.000 bruto per maand? Dan verandert er niets voor jou. Je loon stijgt bij inflatie nog steeds volledig mee met de index.
Voor het deel van je loon dat boven die grens van € 4.000 ligt, lever je echter in. De indexering wordt daar met 2% verminderd. Voor gepensioneerden en mensen met een uitkering ligt de grens nog een stuk lager: daar wordt de indexering al afgetopt vanaf € 2.000 bruto per maand.
- Lonen tot € 4.000 / Uitkeringen tot € 2.000: Volledige indexering (100% bescherming tegen inflatie).
- Lonen boven € 4.000 / Uitkeringen boven € 2.000: Het gedeelte boven de grens krijgt 2% minder loonstijging bij een indexsprong.
Koopkrachtverlies loert om de hoek
Het directe gevolg voor de consument is een daling van de reële koopkracht. Zodra het leven duurder wordt, stijgt het loon van de middenklasse en de hogere inkomens niet meer volledig mee. Hierdoor kun je met je nettoloon effectief minder kopen in de supermarkt of aan de pomp.
Critici en vakbonden waarschuwen bovendien dat de maatregel hard kan aankomen bij deeltijdwerkers of ploegenarbeiders, die door tijdelijke premies ongewild net over de grens geduwd worden en zo tweemaal de prijs betalen.