Wie maandelijks tussen 2.000 en 3.000 euro netto verdient, kan zich elke maand dezelfde vraag stellen: hoeveel moet er eigenlijk naar de spaarrekening? Te weinig
sparen kan ervoor zorgen dat een onverwachte factuur meteen voor financiële stress zorgt. Maar jezelf iedere maand alles ontzeggen om zoveel mogelijk geld opzij te zetten, is evenmin nodig.
Er bestaat dan ook geen vast bedrag dat voor iedereen werkt. Wel zijn er richtlijnen die kunnen helpen om een gezonde financiële buffer op te bouwen. In België raadt Wikifin aan om uiteindelijk een reserve van ongeveer drie tot zes netto-maandlonen achter de hand te hebben. Hoe groot die buffer precies moet zijn, hangt onder meer af van je inkomsten, uitgaven en persoonlijke situatie.
Begin met 10 tot 20 procent
Wie een eenvoudige richtlijn zoekt, kan bijvoorbeeld proberen om tussen 10 en 20 procent van het netto-inkomen te sparen. Dat is geen officiële regel en zeker geen verplicht percentage, maar het geeft wel een bruikbaar vertrekpunt.
Verdien je 2.000 euro netto per maand, dan betekent dat:
- 10 procent: 200 euro per maand
- 15 procent: 300 euro per maand
- 20 procent: 400 euro per maand
Bij een netto-inkomen van 2.500 euro wordt dat respectievelijk 250, 375 en 500 euro.
Wie 3.000 euro netto verdient, kan bij dezelfde percentages 300, 450 of 600 euro per maand opzijzetten.
Voor veel mensen is ongeveer 10 procent een haalbare start. Als de vaste kosten relatief laag zijn, kan 15 tot 20 procent realistischer worden.
Niet alleen je loon bepaalt hoeveel je moet sparen
Een veelgemaakte fout is om uitsluitend naar het inkomen te kijken. Twee mensen die allebei 2.500 euro verdienen, kunnen financieel namelijk een totaal andere situatie hebben.
De ene betaalt misschien 700 euro huur, heeft geen auto en woont alleen. De andere betaalt een hypotheek, heeft twee kinderen, een auto en verschillende verzekeringen. Het zou dan niet logisch zijn om voor beide personen exact hetzelfde spaarbedrag voorop te stellen.
Wikifin raadt daarom aan om eerst een volledig budget te maken. Daarin horen niet alleen huur of hypotheek en energiekosten thuis, maar ook boodschappen, verzekeringen, vervoer, abonnementen, kleding, vrije tijd en jaarlijkse uitgaven. Ook geplande grote kosten moet je meenemen.
Het belangrijkste doel: een buffer
Maandelijks sparen is uiteindelijk niet alleen bedoeld om later een vakantie of nieuwe auto te betalen. Het eerste doel is een financiële buffer.
Een kapotte wasmachine, onverwachte herstelling aan de auto, een medische rekening of een tijdelijke daling van je inkomen kan anders meteen voor problemen zorgen. Een spaarbuffer geeft je de mogelijkheid om zo'n tegenvaller op te vangen zonder onmiddellijk geld te moeten lenen. Wikifin noemt drie tot zes netto-maandlonen als vaak gehanteerde richtlijn voor zo'n reserve.
Bij een inkomen van 2.000 euro betekent dat uiteindelijk een buffer van ongeveer 6.000 tot 12.000 euro.
Bij 2.500 euro gaat het om 7.500 tot 15.000 euro.
Wie 3.000 euro netto verdient, komt uit op 9.000 tot 18.000 euro.
Dat zijn aanzienlijke bedragen. Daarom hoef je die buffer uiteraard niet onmiddellijk te hebben. Wie iedere maand 300 euro opzijzet, bouwt op één jaar tijd al 3.600 euro op, zonder rekening te houden met eventuele rente.
Wat als je maar 100 euro kunt sparen?
Ook dan heeft sparen zin. Het heeft weinig nut om jezelf financieel volledig klem te zetten omdat je een bepaald percentage absoluut wilt halen.
Wikifin benadrukt dat je realistisch moet blijven. Een bedrag dat je iedere maand kunt volhouden, is uiteindelijk beter dan een ambitieus spaarbedrag dat na enkele maanden niet meer lukt. Zelfs onregelmatig of met kleinere bedragen sparen blijft nuttig.
Wie bijvoorbeeld 2.000 euro verdient en slechts 100 euro per maand kan missen, spaart toch 1.200 euro per jaar. Zodra het inkomen stijgt of een bepaalde kost wegvalt, kan dat bedrag worden verhoogd.
Eerst buffer, daarna andere doelen
Het is ook verstandig om verschillende soorten spaargeld uit elkaar te houden. Geld voor een geplande vakantie is bijvoorbeeld iets anders dan geld dat bedoeld is voor een onverwachte rekening.
Wikifin adviseert om voor geplande uitgaven afzonderlijk te sparen en de echte noodbuffer beschikbaar te houden voor onverwachte situaties. Een spaarrekening is daarvoor geschikt omdat het geld relatief snel beschikbaar is en je er geen beleggingsrisico voor hoeft te nemen.
Pas wanneer de financiële buffer voldoende groot is, kun je bekijken wat je met geld kunt doen dat je de komende jaren niet nodig hebt. Beleggen kan dan eventueel een mogelijkheid zijn, maar dat brengt uiteraard meer risico met zich mee dan sparen.
Dus hoeveel is een goed bedrag?
Voor iemand die tussen 2.000 en 3.000 euro netto per maand verdient, is 10 tot 20 procent sparen een bruikbare praktische richtlijn, zolang de vaste kosten dat toelaten.
Concreet betekent dat ongeveer 200 tot 600 euro per maand.
Maar het belangrijkste cijfer staat uiteindelijk niet op je loonbrief. Kijk vooral naar wat je na alle noodzakelijke kosten daadwerkelijk kunt missen. Het doel is niet om iedere maand maximaal te sparen, maar om voldoende reserve op te bouwen zodat een onverwachte rekening niet meteen je hele maandbudget overhoop haalt.
Wie uiteindelijk drie tot zes netto-maandlonen als buffer heeft opgebouwd, staat volgens de Belgische financiële informatieorganisatie Wikifin een stuk sterker tegenover onverwachte financiële tegenvallers.