De discussie rond de zogenaamde centenindex lijkt op het eerste gezicht technisch, maar raakt in werkelijkheid rechtstreeks aan de portemonnee van heel wat Vlamingen. Wat betekent deze maatregel nu concreet? En vooral: wie wint en wie verliest?
De federale regering wil met de centenindex de loonstijging gedeeltelijk afremmen. Dat gebeurt door de automatische indexering niet langer volledig toe te passen op het volledige brutoloon. In plaats daarvan wordt enkel het deel tot 4.000 euro nog volledig geïndexeerd. Alles daarboven groeit minder snel mee met de inflatie. Het klinkt als een detail, maar de impact kan snel oplopen.
Voor deze inkomens verandert er niks
Voor wie minder dan 4.000 euro bruto per maand verdient, verandert er niets. Die groep blijft volledig beschermd door de index en ziet zijn loon dus gewoon meestijgen met de levensduurte. Maar vanaf het moment dat je boven die grens uitkomt, begint het verschil voelbaar te worden. En dat is precies waar de discussie vandaag over gaat.
Neem een eenvoudig voorbeeld. Iemand met een brutoloon van 5.000 euro krijgt bij een indexstijging van 2 procent normaal gezien 100 euro extra per maand. Met de centenindex wordt enkel de eerste 4.000 euro geïndexeerd, goed voor 80 euro extra. Het verschil bedraagt dus 20 euro per maand. Dat lijkt beperkt, maar op jaarbasis gaat het al om 240 euro minder loonstijging.
Bij hogere lonen wordt dat effect nog groter. Wie bijvoorbeeld 8.000 euro bruto verdient, ziet zijn verwachte loonstijging van 160 euro per maand terugvallen naar 80 euro. Dat is een verlies van 80 euro per maand, of bijna 1.000 euro per jaar. Over meerdere jaren loopt dat verschil verder op, zeker omdat het effect zich telkens opnieuw opstapelt bij volgende indexeringen.
Gevoelige maatregel
Volgens econoom Gert Peersman is die ingreep niet toevallig. Hij stelt dat de belastingverhoging die ermee gepaard gaat, de enige reden is waarom de maatregel gunstiger uitvalt voor de begroting dan alternatieven van de sociale partners. Met andere woorden: de centenindex is in essentie een manier om geld te besparen zonder een klassieke belastingverhoging door te voeren.
Dat maakt de maatregel politiek interessant, maar ook gevoelig. Want hoewel de laagste inkomens buiten schot blijven, wordt vooral de middenklasse getroffen. Net die groep ziet zijn loon nog stijgen, maar minder snel dan voordien. En dat verschil is moeilijk zichtbaar, waardoor het voor veel mensen aanvoelt als een “verborgen verlies”.
Tegelijk is er ook een economische redenering achter de maatregel. Door de loonstijging te temperen, wil de overheid de loonkosten voor bedrijven onder controle houden. Dat moet de concurrentiekracht van Belgische bedrijven beschermen en jobs veiligstellen. Maar die logica botst met de realiteit van stijgende prijzen, waarbij gezinnen net rekenen op de index om hun koopkracht te behouden.
Critici wijzen erop dat de centenindex het systeem van automatische loonindexering onder druk zet. Dat systeem geldt al jarenlang als een belangrijke bescherming tegen inflatie. Door er nu aan te sleutelen, ontstaat het risico dat die bescherming geleidelijk wordt uitgehold, zeker voor wie net boven de grens zit.
Er is een alternatief
De sociale partners hebben dan ook een alternatief voorstel op tafel gelegd. Volgens Peersman is dat voorstel een verbetering van het huidige systeem en zou het hoe dan ook moeten worden overwogen. De discussie daarover is nog volop bezig, maar het is duidelijk dat de centenindex niet onomstreden is.
Wat betekent dit nu voor de gewone Vlaming? Voor een groot deel van de bevolking verandert er weinig. Maar wie een degelijk inkomen heeft — vaak tweeverdieners, kaderleden of zelfstandigen in loondienst — zal het verschil wel degelijk voelen. Niet omdat ze plots minder verdienen, maar omdat hun loon minder snel stijgt dan vroeger.
En net daar zit de kern van het debat. De centenindex verlaagt je loon niet, maar vertraagt je vooruitgang. Op korte termijn lijkt dat beperkt, maar op langere termijn kan het een aanzienlijk verschil maken in koopkracht.