De federale pensioenhervorming werpt een diepe schaduw over de financiële toekomst van de Belgische gepensioneerde. Hoewel de maatregelen een zegen zijn voor de staatskas, betalen de senioren van de toekomst de ultieme prijs. Uit het nieuwste jaarverslag van de Studiecommissie voor de Vergrijzing blijkt dat de relatieve levensstandaard van gepensioneerden vanaf 2035 in vrije val raakt. De commissie trekt aan de alarmbel en vraagt zich openlijk af of deze evolutie op termijn wel sociaal houdbaar is.
Het budgettaire succes versus de sociale knik
Op papier heeft de federale regering haar doelstellingen bereikt. De grootschalige hervorming remt de stijgende vergrijzingskosten krachtig af, wat tussen nu en 2070 een besparing oplevert van maar liefst 1,4 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Een budgettaire opsteker, maar de menselijke kostprijs is navenant.
In de sociologie en economie wordt gekeken naar de zogenaamde
benefit ratio: de verhouding die meet of de gemiddelde brutopensioenen de groei van de gemiddelde lonen van werkenden kunnen bijbenen. Tot het midden van de jaren 30 lijkt er weinig aan de hand. De komende tien jaar stijgt de relatieve levensstandaard van gepensioneerden zelfs nog met 3 procent ten opzichte van 2025. Dit is het directe gevolg van de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd. Omdat Belgen gedwongen worden langer te werken, bouwen ze gemiddeld een hoger
pensioen op.
Rond 2035 keert het tij echter brutaal. Vanaf dat moment maakt de levensstandaard van de gepensioneerde een decennialange duikvlucht ten opzichte van de actieve beroepsbevolking. Tegen 2070 zal de benefit ratio naar verwachting zo'n 13 procent lager liggen dan in 2025.
De boosdoeners: Pensieonmalus en ambtenarensnoei
Deze verschraling is geen toeval, maar het rechtstreekse gevolg van de politieke keuzes in de pensioenhervorming. Verschillende remmechanismen treden de komende decennia vol in werking om de pensioengroei bewust te temperen ten opzichte van de arbeidsinkomens.
- De pensioenmalus: Wie vervroegd uittreedt, wordt financieel zwaarder gestraft, wat de gemiddelde uitbetaling naar beneden haalt.
- Inperking van gelijkgestelde periodes: Periodes van inactiviteit (zoals bepaalde vormen van werkloosheid of tijdskrediet) tellen minder zwaar of niet meer mee voor de uiteindelijke pensieonopbouw.
- Ingrepen bij ambtenaren: De historisch gunstigere pensieonregeling voor statutaire ambtenaren werd fors teruggeschroefd.
"Het rapport maakt duidelijk dat er op lange termijn een afweging ontstaat tussen de beheersing van de uitgaven en het behoud van de levensstandaard van gepensioneerden", concludeert de Vergrijzingscommissie nuchter.
Een abrupt einde aan de armoedeknik?
De timing van deze neerwaartse trend is wrang. De afgelopen jaren boekte België namelijk spectaculaire successen in de strijd tegen armoede bij ouderen. Tussen 2019 en 2024 daalde het armoederisico voor Belgische gepensioneerden spectaculair van 16 procent naar amper 8 procent. Daarmee deed ons land het plots fors beter dan buurlanden zoals Frankrijk (11 procent), Nederland (15,9 procent) en Duitsland (18,9 procent).
Die historische daling was te danken aan de forse optrekking van de minimumuitkeringen en het feit dat steeds meer vrouwen een volledige, langere loopbaan opbouwden. De pensioenhervorming dreigt die vooruitgang nu abrupt te hypothekeren. Het Federaal Planbureau waarschuwde eerder al dat het armoederisico bij nieuw gepensioneerden door de huidige hervorming meteen met 0,4 procentpunt zal stijgen, een cijfer dat alleen maar zal toenemen wanneer de maatregelen eenmaal op kruissnelheid draaien. De gepensioneerde van de toekomst dreigt zo de economische buffer van de welvaartsstaat te verliezen.