Zes maanden na de zogenaamde dronecrisis blijft vooral één vraag hangen: hoe reëel was de dreiging eigenlijk? Uit onderzoek van het programma Pano blijkt dat er tot op vandaag geen enkel hard bewijs is gevonden voor vijandige drones boven België. Toch werd destijds snel geschakeld en werd er fors geïnvesteerd in defensiemaatregelen.
De politieke reactie kwam er bijzonder snel. Kort na de eerste meldingen boven de militaire basis van Elsenborn werd een versneld actieplan uitgerold. Onder impuls van
Theo Francken werd ongeveer 50 miljoen euro vrijgemaakt voor dronedetectie en antidronecapaciteit, zonder klassieke aanbestedingsprocedure. Volgens de regering was de situatie te dringend om tijd te verliezen.
Opvallend is dat de dreiging meteen in een geopolitieke context werd geplaatst. Binnen Defensie en de veiligheidsdiensten werd al snel richting Rusland gekeken, al werd dat nooit formeel bevestigd. De boodschap was duidelijk: dit paste binnen een breder patroon van destabilisatie.
Toch lijkt dat narratief vandaag op losse schroeven te staan. Niet alleen in België ontbreken harde bewijzen, ook in andere Europese landen waar gelijkaardige meldingen opdoken, werd geen link met Rusland vastgesteld. Onderzoekers en journalisten in onder meer Duitsland en Scandinavië kwamen tot dezelfde conclusie: er is geen tastbaar bewijs.
Onderzoek is nog bezig
Ondertussen loopt het gerechtelijk onderzoek nog steeds. Het federaal parket behandelt tientallen dossiers rond mogelijke drone-incidenten, maar houdt zich voorlopig op de vlakte. Definitieve conclusies blijven uit, wat de onzekerheid alleen maar vergroot.
Wat overblijft, is een verhaal waarin snelheid en voorzichtigheid door elkaar lopen. Enerzijds wilde de overheid geen risico nemen, anderzijds rijst de vraag of er niet te snel werd gehandeld zonder sluitend bewijs. De balans tussen veiligheid en onderbouwing blijft daarmee een delicate evenwichtsoefening.