Het Belgische sociale zekerheidsstelsel staat bekend als een van de meest solide systemen ter wereld, maar wie de kleine lettertjes leest, ontdekt soms diepe valkuilen. Een van de meest beruchte "armoedevallen" bevond zich tot voor kort in de ziekteverzekering voor deeltijdse werknemers. Wie dertig jaar lang voltijds bijdroeg, maar zijn uren moest terugschroeven door opkomende gezondheidsproblemen, kon bij een volledige crash terugvallen op een uitkering die nauwelijks hoger lag dan het leefloon.
Anno 2026 komt er eindelijk beweging in dit dossier. Federaal minister van Volksgezondheid
Frank Vandenbroucke (Vooruit) heeft een akkoord bereikt om de regels voor de zogenaamde ‘niet-regelmatige werknemers’ te versoepelen. Dit artikel ontleert de complexe mechaniek achter deze hervorming, de impact op de Belgische huishoudens en de kritiek die ondanks de verbetering blijft aanhouden.
De onzichtbare grens: Wanneer ben je ‘niet-regelmatig’?
In de Belgische ziekteverzekering (het RIZIV) bestaat een cruciaal onderscheid tussen regelmatige en niet-regelmatige werknemers. Dit onderscheid bepaalt de hoogte van je uitkering wanneer je langer dan een maand ziek bent. Normaal gesproken ontvangt een werknemer in het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid 60 procent van zijn laatst verdiende loon. Na drie maanden treden er echter minimumuitkeringen in werking om te voorkomen dat zieken onder een bepaald bestaansminimum zakken.
Hier knelde tot voor kort de schoen. Wie minder dan 75 procent van een voltijdse job werkte, of een loon had dat net boven de 2.200 euro bruto lag, werd automatisch gecategoriseerd als ‘niet-regelmatig’. Voor deze groep lag het wettelijke minimum een stuk lager: het werd gelijkgesteld aan het leefloon. In de praktijk betekende dit dat een alleenstaande zieke moest rondkomen met ongeveer 1.340 euro per maand, terwijl een samenwonende terugviel op slechts 893 euro. In een tijd waarin de kosten voor levensonderhoud en energie fors zijn gestegen, is dat voor velen een ticket naar de voedselbank.
De hervorming van 2026: Meer ademruimte voor 7.000 Belgen
De nieuwe maatregel, die voortvloeit uit een akkoord van de ministerraad vlak voor de paasvakantie van 2026, verlegt de grenzen van dit systeem. De minister voert twee belangrijke wijzigingen door:
- De tewerkstellingsbreuk: Voortaan word je pas als ‘niet-regelmatig’ beschouwd als je minder dan 66 procent (twee derde) werkt, in plaats van de oude grens van 75 procent. Dit betekent dat mensen die bijvoorbeeld vier vijfde werken (80 procent) of een dertien-twintigste regime hebben, voortaan recht hebben op de hogere, reguliere minimumuitkering.
- De inkomensgrens: Ook de loongrens wordt aangepast. Werknemers met een lager inkomen werden voorheen sneller als ‘niet-regelmatig’ bestempeld. De grens is nu verlaagd naar 2.042 euro bruto. Hierdoor vallen minder mensen met een bescheiden loon in de laagste categorie van uitkeringen.
Volgens ramingen van het kabinet-Vandenbroucke zullen tegen 2029 ongeveer 7.000 mensen direct de vruchten plukken van deze aanpassing. Voor een individu kan dit een verschil maken van ruim 300 euro per maand. Dat is geen klein bier; het is vaak precies het bedrag dat nodig is om de huur te betalen of noodzakelijke medische kosten te dekken zonder in de schulden te belanden.
Vrouwen in de frontlinie van de armoede
De statistieken achter deze maatregel vertellen een sociaal verhaal. Zowat 30 procent van de langdurig zieken in België — ongeveer 150.000 mensen — draagt momenteel het label van ‘niet-regelmatige werknemer’. Binnen deze groep zijn vrouwen zwaar oververtegenwoordigd.
De reden is structureel: vrouwen werken in België nog steeds vaker deeltijds, vaak om zorgtaken voor kinderen of oudere familieleden te combineren met werk. Bovendien zijn ze sterker aanwezig in sectoren met lage lonen en gebroken uurroosters, zoals de schoonmaaksector, de retail en de thuiszorg. Voor deze vrouwen betekende ziek worden niet alleen een fysieke klap, maar ook een directe confrontatie met de armoedegrens. De versoepeling van de 75-procentregel naar 66 procent is dan ook in grote mate een maatregel die de vrouwelijke bestaansonzekerheid aanpakt.
Kritiek van de vakbonden: Een druppel op een hete plaat?
Hoewel de maatregel wordt toegejuicht als een stap in de goede richting, is de kritiek vanuit de vakbondshoek niet mals. Raf De Weerdt van de socialistische vakbond ABVV wijst erop dat de ingreep in schril contrast staat met andere budgettaire beslissingen van de regering.
Het grootste pijnpunt is het schrappen van de zogenaamde ‘welvaartsenveloppe’. Dit is een budget dat normaal gesproken wordt gereserveerd om de laagste sociale uitkeringen (pensioenen, ziekte-uitkeringen, werkloosheidsgelden) periodiek extra te verhogen, bovenop de gewone indexatie. Door deze enveloppe te schrappen, bespaart de overheid tegen 2029 jaarlijks zo’n 2,8 miljard euro.
In dat licht bekeken noemen de bonden de investering van 8,7 miljoen euro voor de deeltijdse zieken "erg beperkt". Het is een doekje voor het bloeden terwijl de grote wonde — de structurele ondermaatse hoogte van de laagste uitkeringen — blijft bloeden. De vakbonden pleiten er al jaren voor om de categorie van ‘niet-regelmatige werknemers’ simpelweg volledig af te schaffen, zodat elke zieke werknemer in het eerste jaar op dezelfde minimumbescherming kan rekenen. Dat scenario werd in 2021 onder de Vivaldi-regering al eens berekend op 29 miljoen euro, maar haalde toen de eindstreep niet wegens budgettaire bezwaren van de liberale coalitiepartners.
De impact van langdurige ziekte op de begroting
De discussie over ziekte-uitkeringen is in 2026 actueler dan ooit door de explosieve stijging van het aantal langdurig zieken in België. We tellen inmiddels meer dan 500.000 mensen die langer dan een jaar thuis zitten wegens ziekte, vaak door burn-out of musculoskeletale aandoeningen (rug- en nekklachten).
De overheid staat voor een gigantische spagaat. Enerzijds moet de sociale zekerheid betaalbaar blijven, wat leidt tot activeringsmaatregelen en "terug-naar-werk-trajecten". Anderzijds moet het systeem mensen beschermen tegen bittere armoede op het moment dat ze het meest kwetsbaar zijn. De huidige maatregel van Vandenbroucke probeert die balans te vinden door een specifiek onrecht weg te werken zonder de hele begroting overhoop te gooien.
Wat betekent dit concreet voor u?
Het is belangrijk om te weten dat deze nieuwe regels alleen van toepassing zijn op werknemers die sinds dit jaar (2026) arbeidsongeschikt zijn geworden. Wie al langer in het systeem van niet-regelmatige werknemers zit, geniet niet met terugwerkende kracht van deze verhoging. Dit creëert een zekere ongelijkheid op de werkvloer van het ziekenfonds, maar is een klassieke techniek van de overheid om de kosten van nieuwe maatregelen te faseren.
Wie vandaag deeltijds werkt en vreest voor zijn gezondheid, doet er goed aan zijn dossier bij het ziekenfonds te laten nakijken. De overgang van 75 naar 66 procent kan voor veel mensen het verschil betekenen tussen een menswaardig inkomen en een dagelijkse strijd om de eindjes aan elkaar te knopen.
De strijd tegen de armoedeval in de Belgische ziekteverzekering heeft met de hervorming van april 2026 een kleine overwinning behaald. Voor 7.000 werknemers die net niet aan de oude normen voldeden, gloort er hoop op een financiële buffer tijdens hun herstel.
Toch blijft het een bittere pil voor de vele anderen die buiten de boot vallen of die te maken krijgen met een bredere bevriezing van de welvaartsgroei. In een vergrijzende samenleving waar de druk op de arbeidsmarkt en de mentale gezondheid toeneemt, zal het debat over wat een "rechtvaardige uitkering" is, de komende jaren alleen maar heviger worden. Minister Vandenbroucke heeft een mouw gepast aan een specifiek probleem, maar het volledige kledingstuk van de Belgische sociale zekerheid vertoont nog steeds vele gaten.