Waarom 8 op de 10 werknemers momenteel te weinig sparen voor pensioen later

14 feb , 12:00Financieel
Pensioen
De Belgische federale regering heeft een gewaagde belofte gedaan: tegen 2035 moet elke werknemer en contractuele ambtenaar in ons land beschikken over een volwaardig aanvullend pensioen. De lat ligt op een werkgeversbijdrage van minstens 3 procent van het brutoloon. Hoewel dit klinkt als een sociaal huzarenstukje, laten recente cijfers van Sigedis en de KU Leuven een onthutsende realiteit zien. De weg naar die "pensioengelijkheid" is geplaveid met miljardennota’s en een gigantische kloof tussen arm en rijk.
Het aanvullend pensioen, in jargon de ‘tweede pijler’ genoemd, is de extra spaarpot die je opbouwt via je werkgever. Het is de buffer die het gat moet dichten tussen je laatste loon en het wettelijke pensioen. Maar wie vandaag in de data duikt, ziet dat dit systeem momenteel allesbehalve democratisch is. Het is een mechanisme dat de ongelijkheid op de arbeidsmarkt eerder vergroot dan verkleint.

De grote pensioenkloof

Vandaag de dag is de tweede pijler een luxeproduct voor wie al een goed salaris heeft. Maar liefst 1,3 miljoen werknemers — dat is één op de drie Belgen in de private sector — bouwen momenteel helemaal niets op. Kijk je specifiek naar de groep met de laagste lonen, dan stijgt dat cijfer naar een onthutsende 64 procent. Zij moeten het later stellen met enkel het wettelijke pensioen, terwijl hun collega’s met hogere inkomens een riant kapitaal uitgekeerd krijgen bij hun pensionering.
Zelfs de werknemers die wél een groepsverzekering of pensioenfonds hebben, zijn er nog niet. Bijna 1,8 miljoen Belgen zitten momenteel in een regeling waarbij de werkgever minder dan 3 procent bijdraagt. In totaal haalt 8 op de 10 werknemers de federale doelstelling van 2035 nog niet. Voor velen van hen zou de bijdrage zelfs moeten verdubbelen om aan de norm te voldoen.

Een factuur van 2 miljard euro

De ambitie om iedereen naar die 3 procent te tillen, komt met een loodzware factuur. De private sector kijkt aan tegen een extra loonkost van bijna 2 miljard euro. Dit bedrag is nodig om de plannen van de huidige achterblijvers te spijzen. In tijden waarin bedrijven al kampen met hoge energiekosten en automatische loonindexeringen, is de vraag wie dit gaat betalen een politiek mijnenveld.
Maar niet alleen de werkgevers tasten in de buidel. Ook de overheid financiert dit systeem indirect mee. De tweede pijler wordt namelijk zwaar gesubsidieerd via fiscale voordelen en lagere sociale bijdragen op de stortingen. Onderzoek van het Centrum voor Sociologisch Onderzoek (CeSO) van de KU Leuven toonde aan dat deze overheidssteun in 2019 al opliep tot ruim 2,1 miljard euro. Als iedereen straks 3 procent krijgt, zal die fiscale kost voor de staatskas explosief toenemen. Het creëert de paradoxale situatie waarbij de overheid moet besparen op de pensioenen, maar tegelijkertijd miljarden extra moet uitgeven om diezelfde pensioenen op peil te houden.

Het ambtenarendilemma: te weinig, te laat?

Terwijl de discussie in de private sector vooral over percentages gaat, staan de vastbenoemde ambtenaren nog in de kou. Voor hen bestaat er simpelweg geen tweede pijler. De overheid hanteert hier een opmerkelijke logica: pas wanneer het wettelijke pensioen van de ambtenaar is gedaald tot het niveau van een contractuele werknemer, mag er sprake zijn van een aanvullende spaarpot.
Pensioenexperts trekken hierover aan de alarmbel. Door de huidige hervormingen zal het gemiddelde ambtenarenpensioen tegen 2070 met zo’n 12 tot 20 procent dalen. Wachten met de opbouw van een extra kapitaal tot die daling een feit is, wordt door experts omschreven als een "generatiemoord". Een pensioenkapitaal bouw je immers niet op in vijf jaar tijd; daar heb je een volledige loopbaan voor nodig. Wie nu 40 jaar is en pas over 15 jaar mag beginnen sparen, zal nooit genoeg reserve hebben om de daling van zijn wettelijke pensioen te compenseren.

De race tegen de klok

De veralgemening van het aanvullend pensioen is meer dan een technisch dossier; het is een race tegen de vergrijzing. De doelstelling voor 2035 is noodzakelijk om de levensstandaard van toekomstige gepensioneerden te waarborgen, maar de uitvoering hapert aan alle kanten. De besparingen op de eerste pijler (het wettelijk pensioen) gaan razendsnel, terwijl de groei van de tweede pijler blijft steken in intenties en verre deadlines.
Voor de Belgische werknemer is de boodschap duidelijk: reken niet blindelings op de beloofde 3 procent in 2035. De komende jaren zal er een stevig debat gevoerd moeten worden over de financiering van dit systeem. Want een spaarpot die er pas komt als je de pensioenleeftijd al bijna hebt bereikt, is voor velen een pleister op een houten been.
Wil je weten waar jij precies staat in dit verhaal? Op de website MyPension.be kun je onder het tabblad 'Mijn aanvullend pensioen' exact zien hoeveel kapitaal je al hebt opgebouwd en welk percentage jouw werkgever momenteel stort. Het is de beste manier om te controleren hoe groot jouw persoonlijke pensioenkloof werkelijk is.
Bronnen: Sigedis (PensionStat.be), VRT NWS, KU Leuven (Schols & Van Lancker), Federaal Regeerakkoord 2025-2029, Studiecommissie voor de Vergrijzing, Pierre Devolder (UCLouvain), Federale Pensioendienst (SFPD).
loading

Loading